Inleiding ‘Dit is ons huis‘

Met de Postwet van 1892 verloor de PTT het monopolie op het uitgeven van geïllustreerde briefkaarten. Prentbriefkaarten, zoals men deze allengs ging noemen, werden vanaf dat jaar door diverse uitgeverijen op de markt gebracht. Rond 1900 was al sprake van een echt massa-artikel. Van stads- en strandgezichten, vorstenhuizen en allerlei andere onderwerpen waren gedrukte kaarten in grote aantallen verkrijgbaar. Wilde een uitgever de drukkosten terug kunnen verdienen, dan moest hij minstens enkele honderden kaarten laten vervaardigen. Indien een kleinere oplage gewenst was, bestond vanaf kort voor de eeuwwisseling de mogelijkheid om een echte foto af te drukken op het prentbriefkaartformaat van 9 bij 14 cm. Hiervoor werd fotopapier gebruikt dat stevig genoeg was om postverzending te kunnen doorstaan, en waarop aan de achterzijde een belijning voor het adres gedrukt was. Ook werden wel foto’s van circa 5 bij 8 cm opgeplakt op een kaart. In dat geval bleef op de voorzijde nog ruimte over om te beschrijven, want tot 1905 mocht op de adreszijde van een briefkaart uitsluitend het adres staan. Fotokaarten, zoals de als kaart uitgevoerde echte foto’s genoemd worden, werden vooral gebruikt door wie zijn correspondentie een persoonlijk tintje wilde geven, bijvoorbeeld met het eigen portret of huis. Met name fotokaarten van huizen en straten kenden vanaf hun introductie rond 1900 een groeiende populariteit. Omstreeks 1912 was sprake van een hoogtepunt, zowel kwantitatief als kwalitatief.
Sommige uitgevers van prentbriefkaarten brachten overigens vanaf circa 1910 ook echte foto’s op de markt, in veel grotere oplagen. Vanaf het begin van de jaren ’30 was dat zelfs zeer gebruikelijk. Ook die kaarten worden soms fotokaarten genoemd. Ze onderscheiden zich echter van de hier behandelde fotokaarten in engere zin, doordat ze op de voorzijde meestal een onderschrift in drukletters hebben, en op de achterkant gegevens van de uitgever gedrukt zijn. De verspreiding vond voornamelijk plaats via (kantoor)boekhandels, terwijl de ‘echte’ fotokaarten door de fotograaf zelf aan de man gebracht werden en dus niet in de handel waren.
Tenminste enkele tientallen fotografen hebben zich beziggehouden met het maken van fotokaarten van Haagse huizen en straten. Daarbij stempelde slechts een enkeling op de achterzijde zijn naam en adres. De overgrote meerderheid is door anonieme fotografen vervaardigd. Wel kunnen we soms aan de wijze van afdrukken de stijl van een bepaalde fotograaf herkennen. Sommigen waren uitsluitend in bepaalde buurten actief, anderen hadden heel Den Haag als werkterrein. Onder de wèl bekende fotografen treffen we M. Hamer uit Amsterdam aan, van wie enkele opnamen bekend zijn die rond 1902 in de Zeeheldenbuurt gemaakt werden. In 1904 vestigde hij zich overigens in die buurt, waar hij in 1906 op de leeftijd van bijna 28 jaar kwam te overlijden. Ook voor C.B. Heynig uit Rotterdam loonde het rond 1915 blijkbaar de moeite in Den Haag te komen fotograferen. Curieus is verder de tekst die in 1915 geschreven werd op een fotokaart van de 2e Sweelinckstraat, vermeldend dat een uit België gevluchte fotograaf de opname gemaakt had. Hij ‘haalde er zijn kostje mede op’. Voor zover de Haagse fotografen zich bekend maakten, woonden zij opvallend vaak in een volksbuurt. Hun werkterrein lag echter voornamelijk in de meer gegoede wijken als Duinoord, Statenkwartier en Bezuidenhout. Van het Benoordenhout zijn weinig exemplaren bekend, maar daarbij moeten we bedenken dat in de glorietijd van de fotokaart, de periode 1900-1915, de wijk slechts uit de zogenaamde Nassaustraten bestond. In het centrum waren het vooral middenstanders die fotokaarten lieten maken.
Uiteraard kon of wilde niet iedereen fotokaarten aanschaffen of laten maken. Iemands welstand èn geletterdheid speelden daarbij natuurlijk een grote rol. Uit een enkele vanuit een volksbuurt verzonden fotokaart blijkt dat sommigen niet eens hun eigen naam foutloos konden schrijven. De weinige van de Schilderswijk, Transvaal en de Stationsbuurt bekende fotokaarten hebben vaak betrekking op de daar aanwezige bedrijven.
Uit de tekst op sommige kaarten weten we dat het voorkwam dat een fotograaf ongevraagd één of meer panden vastlegde. Zeker als hij daarbij vier huizen tegelijk fotografeerde, zoals gebruikelijk was, was de kans groot dat hij enkele bewoners bereid vond kaarten te kopen. Velen zullen aangenaam verrast zijn geweest wanneer plotseling een fraaie opname van het eigen huis aan de deur aangeboden werd. Uiteraard zullen veel fotokaarten in opdracht van de bewoners of met hun voorkennis gemaakt zijn. Dit gaf hen de kans zelf op de foto te komen, die daardoor een nog persoonlijker karakter kreeg. Op een groot aantal kaarten zien we dan ook mensen poseren, achter het raam, op het balkon of voor het huis. Sommige fotografen wisten ook handig gebruik te maken van dienstbodes, slagersjongens en ander bezorgend verkeer. Hun aanwezigheid gaf de foto vaak een uitgesproken meerwaarde! Overigens zijn diverse kaarten bekend die door een dienstbode verstuurd zijn.
Een enkele keer vermeldde de afzender van een kaart het aantal dat daarvan afgenomen was. Een dozijn was een gebruikelijk aantal. Ook de tekst ‘Vind je haar niet mooi? Moeder heeft er maar ineens 24 van besteld’, op een kaart van de Stadhouderslaan, wijst in die richting. Behalve als prentbriefkaart versturen kon men de kaart natuurlijk ook aan een brief toevoegen. En uiteraard zal menigeen één of meer exemplaren zelf gehouden hebben, los of ingeplakt in een fotoalbum. Zowel bij de verstuurde als de ‘niet gelopen’ exemplaren zijn er talrijke die in eerste instantie geen enkele informatie prijsgeven over de afgebeelde huizen. De ‘overlevering’ of het poststempel ’s-Gravenhage of Scheveningen rechtvaardigt vaak de veronderstelling dat het om een Haagse of Scheveningse straat gaat. Verder onderzoek kan in veel gevallen de exacte locatie aan het licht brengen. Herkenningspunten daarbij zijn onder andere straatlantaarns; Den Haag had namelijk zijn eigen model gas- en elektrische lantaarns. Huisnummers bieden soms ook houvast, zowel de uitvoering ervan als de verdeling over de huizen. Ook namen op de gevels en de naam van de afzender of geadresseerde kunnen soms de oplossing van het raadsel dichterbij brengen.
De fotokaart heeft na de Eerste Wereldoorlog geleidelijk aan populariteit ingeboet. De Twééde Wereldoorlog lijkt het einde ervan ingeluid te hebben. Slechts een enkele fotokaart is bekend met een poststempel van na 1940, en dan betreft het mogelijk nog een ouder exemplaar dat men toevallig over had. Als verzamelobject mag de fotokaart zich tegenwoordig in een toenemende populariteit verheugen. Hoewel sommige verzamelaars zich beperken tot de klassieke prentbriefkaart, zijn er diversen onder hen ontvankelijk gebleken voor de zeldzaamheid en schoonheid van fotokaarten. Met name de met dienstboden en bezorgend verkeer gestoffeerde exemplaren zijn zeer geliefd. In het algemeen kan men er van uitgaan dat àls een fotokaart al bewaard gebleven is - duizenden stuks moeten in de loop der jaren verloren gegaan zijn! - het doorgaans het enige exemplaar betreft.